“Waar komen bij u die vechtpartijen en ruzies uit voort? Toch alleen uit uw eigen hartstochten, die u niet met rust laten? U begeert wat u niet hebt. U moordt en u zet uw zinnen op wat u niet kunt krijgen. Dan gaat u vechten en strijden. U hebt niets, omdat u niet bidt. En als u bidt, krijgt u niets, omdat u verkeerd bidt, met de bedoeling namelijk om wat u krijgt, uit te geven voor uw eigen hartstochten. Trouwelozen, weet u niet dat vriendschap met de wereld vijandschap met God betekent? Wie met de wereld bevriend wil zijn, maakt zich tot vijand van God.” (Jakobus 4:1-4)

Ruzie in de gemeente, daar liep Jakobus als apostel tegen aan. Na een snelle analyse had hij gelijk de wortel van het probleem gevonden. Jakobus legt in zijn brief uit dat de conflicten voortkwamen uit hun verkeerde verlangens. Ze waren jaloers op elkaar omdat de één wel van alles had en de ander niet. De één was rijk en de ander arm. Jakobus geeft antwoord waardoor dit komt. Hij noemt onder andere dat ze te weinig bidden en als ze wel bidden dan krijgen ze  vaak niet wat ze bidden omdat ze om de verkeerde dingen vragen.

Vervolgens wordt hij heel scherp en zegt dit:  “Trouwelozen, weet u niet dat vriendschap met de wereld vijandschap met God betekent?” Wat wordt hiermee bedoeld? Ik denk dit: Als wij in ons leven onze hartstochten achterna lopen, in plaats van Gods Koninkrijk, dan vormt dat een groot probleem. Ben je uit op macht, aanzien en rijkdom dan bouw je al snel je eigen koninkrijk. Realiseer je dan goed je misschien wel je eigen gebedsleven om zeep aan het helpen bent. Door de prioriteit bij die dingen te leggen worden wij vijanden van God. Jakobus komt door deze scherpe bewoording ook tot de kern van het probleem.  Egoïstische vleselijke verlangens leiden niet tot gebedsverhoring.[1] Geen enkele goede ouder geeft namelijk bewust verkeerde dingen aan zijn kinderen. God dus ook niet.

Vroegen ze maar om wijsheid. Wijsheid geeft God altijd volgens Jakobus (Jakobus 1:5) en aan wijsheid heb je namelijk veel meer. Jakobus sluit hier aan bij Salomo die wijsheid belangrijker vond dan rijkdom (Spreuken 16:16). Hij is zelfs zo enthousiast over wijsheid dat hij dit er over schrijft:
“De wijsheid van boven is vóór alles zuiver, maar ook vredelievend, vriendelijk, altijd voor rede vatbaar, rijk aan barmhartigheid en aan vruchten van goede werken, onpartijdig en oprecht. De vrucht van de gerechtigheid wordt in vrede gezaaid voor hen die vrede stichten.”
(Jakobus 3:17-18)

Wijsheid ontbrak echter bij de Messias belijdende Joden waar Jakobus aan schreef. Vanuit de brief weten we dat ze erg opkeken tegen rijke mensen (Jakobus 3:3). Vanuit hun Joodse achtergrond was dat niet vreemd.  God had immers zegen beloofd aan een ieder die Hem gehoorzaam was (Deuteronomium 28:1-14) en door Gods zegen werd je rijk (Spreuken 10:22). Vanuit die gedachte kan je makkelijk tegen rijke mensen op gaan kijken. Rijk worden kan dan een doel op zich worden. Denk bijvoorbeeld ook aan de rijke jongeling, die dacht dat hij alles goed voor elkaar had omdat hij rijk gezegend was.

Jakobus  had overduidelijk  een probleem met een aantal rijke mensen. Of deze rijke mensen gelovig waren of niet, is onduidelijk. Wat we wel weten is dat ze vermogend waren geworden door anderen te onderdrukken. Om die reden wilde Jakobus niet dat zij als voorbeelden genomen werden, hij gebruikte deze mensen daarom als anti-voorbeelden. Hij was heel kritisch en vergeleek hen met dieren die vetgemest werden voor de slacht. Het kan wel lijken dat het  goed met deze rijken gaat maar het trieste is dat ze niet door hebben welke ondergang ze tegemoet gaan (Jakobus 5:1-7).

De christenen aan wie hij schrijft kunnen  zich beter richten op andere voorbeelden. Jakobus stelt de Oudtestamentische profeten voor. Neem bijvoorbeeld een man als Elia. Elia leefde rechtvaardig en als hij een gebed in geloof uitsprak dan verhoorde God hem meteen (Jakobus 5:10-20).

Met andere woorden: Gebeden komen voort uit je hart, als je hart zuiver is dan is de kans  ook veel groter dat je gebed zuiver is en verhoord wordt (Jesaja 58:6-11). Een goede boom brengt goede vruchten voort, een slechte boom niet (Mattheüs 7:17).

Leren bidden in overeenstemming met Gods wil vraagt dus om een leven in overeenstemming met Gods wil. Een krachtig gebedsleven vraagt om levensheiliging. Levensheiliging die ontstaat doordat we veel met Hem optrekken en Hem veel ruimte geven in ons leven.[2]
Vandaar ook dat Jakobus bij het gebed voor zieken aanspoort tot het wederzijds belijden van zonden (Jakobus 5:16).

Hoe ziet die levensheiliging er volgens Jakobus uit? 
In hoofdstuk 4:7-8 staat dit:   “Onderwerp u dan aan God. Bied weerstand aan de duivel en hij zal van u wegvluchten. Nader tot God, en Hij zal tot u naderen. Reinig de handen, zondaars, en zuiver de harten, dubbelhartigen!” Jakobus ziet als het gaat om gebedsverhoring hindernissen  zoals: de Duivel, trots en dubbelhartigheid. Met dubbelhartigheid bedoelt hij dat je innerlijk verdeeld bent. Je weet niet goed wat je wilt en daardoor krijgt ongeloof vat op je. Jakobus gebruikt in het Grieks het woord: “dipsuchos” wat letterlijk “twee zielen” betekent maar wat je ook kan vertalen met “twijfelen”.
 
Stel je eens een rechtbank voor. Jij mag een verzoek indienen. Je hebt echter niet één verzoek in je handen maar twee. Deze twee zijn compleet verschillend. Welke ga je indienen? Een rechter kan niet twee tegenstrijdige verzoeken in behandeling nemen en zo is het naar mijn idee ook bij God. Als wij niet weten wat wij willen dan wordt het ook lastig voor God om onze gebeden te verhoren.  
 
Jakobus had in zijn brief overigens al één keer eerder het woord “dipsuchos” gebruikt namelijk in hoofdstuk 1 vers 6. Daar schrijft hij ook over gebed. Hij schrijft daar:  “En als iemand van u in wijsheid tekortschiet, laat hij die dan vragen aan God, Die aan ieder overvloedig geeft en geen verwijten maakt, en ze zal hem gegeven worden. Maar laat hij er in geloof om vragen en daarbij niet twijfelen. Immers, wie twijfelt, lijkt op een golf van de zee, die door de wind voortgestuwd en op- en neergeworpen wordt. Want zo iemand moet niet denken dat hij iets ontvangen zal van de Heere. Hij is een dubbelhartig man, onstandvastig in al zijn wegen.” (Jakobus 1:5-8) Weet dus wat je wilt en ontdek eerst of God dat ook wil. Vind je dat lastig vraag God dan om wijsheid. Hij geeft graag wijsheid.
 
Tot slot nog een mooie aanmoediging van Paulus voor ons gebedsleven:

“Als u nu met Christus ten leven bent gewekt, zoek dan ook wat boven is, daar waar Christus zetelt aan de rechterhand van God.  Zet uw zinnen op wat boven is, niet op het aardse.  U bent immers gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God. Wanneer Christus, die uw leven is, verschijnt, zult ook u met Hem verschijnen in heerlijkheid. Maak de aardse praktijken dood: ontucht, onzedelijkheid, hartstocht, kwade begeerte en de hebzucht, die gelijk staat met afgoderij. Deze dingen roepen Gods toorn af over de ongehoorzamen.” Colossenzen 3:1-6


[1] Our ability to speculate is often the very thing that interrupts our fellowship with the Holy Spirit. There is no legitimate place in the mind of the believer for ideas, notions, dreams, or fantasies that have as part of all their content things that are contrary to the truth of God. To entertain such thoughts for even a moment is to set our minds on the flesh and therefore walk after the flesh. Stanley, C.F., 1997. The wonderful Spirit-filled life electronic ed., Nashville, TN: Thomas Nelson. Pag. 93.
 
[2] Constant prayer is another way to cultivate an ear to hear the voice of God. Jesus said, “I am the vine; you are the branches. Apart from me you can do nothing” (John 15:5). He is the sole source of our life. Branches receive no life-giving sap unless they remain in constant contact with the vine. We receive no life unless we stay in constant contact with Christ. Patterson, B. & Goetz, D.L., 1999. Deepening your conversation with God, Minneapolis, MN: Bethany House Publishers. Pag. 153-154.