“Vieze vette leugenaars”, zo zou je de bevolkingsgroep waar Paulus het over heeft in zijn brief aan Titus kunnen noemen. Paulus pakt het in zijn brief alleen net iets diplomatieker aan. Hij citeert iemand uit hun eigen groep en schrijft: “Een van hen, nog wel hun eigen profeet, heeft gezegd: ‘Kretenzers zijn onverbeterlijke leugenaars, gemene beesten, vadsige buiken.’ Dit is een waar getuigenis.”

De gemiddelde Nederlander die dergelijke uitspraken doet over een bevolkingsgroep heeft al snel zijn telefoon rood gloeiend staan. Op deze manier kan je toch niet over groepen mensen spreken?  Toch schroomt Paulus niet om problemen bij hun naam te noemen. Blijkbaar kan een groep mensen een zo’n verziekte cultuur creëren dat dergelijke dingen over hen gezegd kunnen en mogen worden. Persoonlijk vind ik dergelijke uitspraken van Paulus erg boeiend. Mijn nieuwsgierigheid is gewekt. Wat voor mensen waren deze Cretenzen en hoe gaat Paulus op deze groep reageren?

De “Cretenzen” waar Paulus over schrijft stonden in die tijd bekend als corrupt, leugenachtig en lui. In die tijd sprak men over de drie C-‘s. De drie C-’s waren de meest beruchte, de meest duistere en meest kwaadaardige bevolkingsroepen  op aard . De drie C-’s stonden ten eerste voor de Cilicianen, een groep mensen die aan de zuidoost kust van Turkije woonden en die door hun piraterij berucht waren. Daarnaast had je de Cappadociërs, een bevolkingsgroep in Oost Turkije en tot slot de Cretenzen. De Grieken waren de Cretenzen zo zat dat ze een werkwoord hadden verzonnen namelijk “kretizein”. Een werkwoord vernoemd naar deze bevolking. En dat werkwoord betekende: “liegen en bedriegen”. Kortom niet een groep mensen die we graag als buren zouden willen hebben.[1]

Het verrassende is dat Paulus één van zijn beste medewerkers onder deze doelgroep achterlaat, iemand die hij ziet als zijn wettige geestelijke zoon (Titus 1:3). Je zou kunnen zeggen een potentiële kandidaat die zijn bediening als apostel verder voort kon zetten. Uit de tweede brief aan Corinthe weten we dat Paulus zeer gesteld was op Titus. Zo schrijft hij in 2 Corinthe 2:12-3 dat zijn ziel geen rust vond – hij was dus bezorgd – omdat hij Titus nog niet was aangekomen op bestemming. Hij had gehoopt hem te zien en hij wist niet waardoor Titus was opgehouden. Verder lezen we in deze brief dat Titus erg toegewijd was. Titus was gestuurd door Paulus om in Corinthe orde op zaken te stellen en om een grote collecte op te halen. Titus had weinig aansporing nodig, hij toonde zelf gelijk initiatief om dit op te pakken. Titus was een echte troubleshooter die er voor zorgde  dat zaken op orde komen.

Paulus reactie is compleet anders dan wat wij vaak doen. Hij gaat deze doelgroep niet uit de weg. Hij vindt de beroerde staat van hun cultuur juist een reden om hen het evangelie te gaan verkondigen. Juist zij hebben het evangelie nodig. Dus als jij bang bent voor een bepaalde doelgroep dan daagt Paulus je uit om je juist voor hen in te gaan zetten, het tegenstelde te doen van wat wij vaak geneigd zijn te doen. “Ga de ontmoeting maar aan!”, zou zijn advies zijn. Hij ontkent daarbij de risico’s niet maar hij ziet het overstijgende belang van de veranderende kracht van het evangelie met betrekking tot de samenleving. Paulus investeerde dan ook zelf herhaaldelijk in mensen. Hij deed dit vaak met gevaar voor eigen leven (2 Corinthe 1:3-8). In mijn ogen is hij daardoor een sterk voorbeeld.

Hoe pakt Paulus het vervolgens aan?

  1. Zorg voor stabiele gastvrije christelijke gezinnen:
    Het was de bedoeling dat deze gezinnen samen met de andere christenen onder de verknipte bevolkingsgroep gingen wonen. De mannen van deze stabiele gezinnen konden vervolgens als leiders van de christelijke gemeenschap optreden (Titus 1:5-8).
  2. Schep orde in de christelijke gemeenschap:
    Voor het creëren van orde gaf Paulus de volgende adviezen: ga bemoedigen, geef gezond onderwijs en zorg voor een strenge en duidelijk aanpak. De bevolkingsgroep had duidelijk correctie nodig. De confrontatie mocht niet uit de weg gegaan worden. (Titus 1:9-11, 2:15).
  3. Leer hen om voorbeeldpersonen te worden:
    Dit laatste punt gold zowel voor de jongeren als voor de ouderen, zowel voor de mannen als voor de vrouwen en zelfs de slaven, die vaak onredelijke meesters hadden, worden genoemd (Titus 2:1-10). Je maatschappelijke omstandigheden maken hierin dus niet uit, of je het nu heel makkelijk hebt of heel moeilijk.

    Vervolgens geeft Paulus door middel van drie speerpunten aan hoe mensen goede voorbeelden kunnen worden of zijn:

  • Goede werken: Zorg daarbij dat ze voorop lopen in sociaal maatschappelijk werk. Laat door je daden zien dat je christen bent en weet wat naasten liefde inhoudt (Titus 2:7, 3:1, 3:8).
  • Gezonde leer: Zorg ervoor dat ze gezonde Bijbel kennis hebben en deze ook verkondigen (Titus 2:7, 2:10-14)
  • Goede houding: Zorg ervoor dat ze handelen vanuit een goede houding: Dienstbaar, gehoorzaam, niet roddelend, niet eindeloos discussiërend maar vriendelijk en zachtmoedig (Titus 3:2).

Goede voorbeeldpersonen waardoor mensen Jezus leren kennen, daar is Paulus dus naar op zoek.  Hij vat dit heel mooi samen in Titus 2:7-8 waar hij aan Titus de volgende uitdaging geeft: “Geef zelf met goede daden het voorbeeld, laat je leer zuiver en waardig zijn, en verkondig de heilzame, onbetwistbare boodschap, zodat onze tegenstanders beschaamd staan en niets kwaads over ons kunnen zeggen.” (Titus 2:7-8, NBV). Laten wij Paulus uitdaging aannemen en, in de kracht van Jezus, ons uitstrekken naar het worden van een helder schijnend licht voor anderen!


[1]     No nation ever had a worse reputation than the Cretans. The ancient world spoke of the three most evil C’s—the Cretans, the Cilicians and the Cappadocians. The Cretans were famed as a drunken, insolent, untrustworthy, lying, gluttonous people. So notorious were the Cretans that the Greeks actually formed a verb krētizein, to cretize, which meant to lie and to cheat; and they had a proverbial phrase, krētizein pros Krēta, to cretize against a Cretan, which meant to match lies with lies, as diamond cuts diamond. The quotation which Paul cites is actually from a Greek poet called Epimenides. He lived about 600 bc and held the status of one of the seven wise men of Greece. The first phrase, ‘The Cretans are chronic liars’, had been made famous by a later and equally well-known poet called Callimachus. Paul does not say to Timothy: ‘Leave them alone. They are hopeless and everyone knows it.’ He says: ‘They are bad and we all know it. Go and convert them.’” Barclay, W., 2003. The Letters to Timothy, Titus, and Philemon 3rd ed. fully rev. and updated., Louisville, KY; London: Westminster John Knox Press.