Het is de avond voor zijn sterven. Jezus viert avondmaal en tijdens diezelfde avond kiest Hij ervoor om zijn discipelen te gaan onderwijzen. De evangelist Johannes neemt ruim de tijd in zijn evangelie om dit onderwijs goed te verwoorden. Blijkbaar is dit essentieel en ontbrak dit nog aan de andere evangeliën. Het is dan ook niet verbazend dat veel van deze thematiek later ook terug te vinden is in zijn brieven. Alsof hij de principes van Jezus daarin verder heeft willen uitwerken.

Na het bestuderen van Johannes 13-17 ben ik er achter gekomen dat Jezus maar liefst vier principes in dit onderwijs verwoordt. Vier principes die naar mijn mening cruciaal zijn voor de kerk in welke tijd dan ook. Ik geloof namelijk dat als we deze vier principes zorgvuldig gaan toepassen, we als kerken veel meer overwinning over de wereld zullen gaan ervaren. Enigszins in de lijn van het vers waarmee Johannes het onderwijs van Jezus die avond laat eindigen. Jezus zei namelijk aan het eind (en dit is nog voor zijn kruisdood): “…maar houd moed: Ik heb de wereld overwonnen.” (Johannes 16:33)

De vier principes die ik heb ontdekt zijn:

  1. Dienend leiderschap.
  2. Elkaar liefhebben zoals Jezus dat deed.
  3. Gebedsverhoring door eenheid met God (en met elkaar).
  4. De Heilige Geest als helper.

Nu wil ik me in dit artikel beperken tot punt 3, mogelijk ga ik later ook de andere punten uitdiepen. Je zou dit punt ook wel “Jezus’ grote geheim” kunnen noemen. Het is namelijk Zijn bijzondere relatie met God waardoor Hij zo krachtig kon opereren op aarde. In Jezus’ laatste onderwijs voor Zijn sterven vertelt Hij daar namelijk iets over.

Om dit onderwijs goed te begrijpen moeten we eerst stilstaan bij Jezus’ mens zijn. Als we kijken naar Jezus dan geloven wij dat Hij volledig mens werd. Voor ons is het vervolgens ingewikkeld om te ontrafelen waarin Hij, ondanks zijn volledige menswording, toch nog een voorsprong had op ons als Zoon van God. Hoeveel goddelijkheid kreeg Hij mee bij Zijn geboorte die wij niet hebben? De reden dat ik dit naar voren breng heeft te maken met ons denken over Hem. Zo betrap ik mezelf al snel op de volgende gedachte: “Prachtig wat Hij allemaal kon maar dat is niet weggelegd voor ons. Wij zijn slechts mensen.” De vraag is of een dergelijke gedachte wel Bijbels is.

Welke voorsprong had Jezus op aarde?
De Bijbel leert immers in Filippenzen 2:6-7 dat Hij Zijn goddelijkheid heeft afgelegd en Johannes 17:4-5 vertelt dat Jezus ernaar verlangde om die heerlijkheid, die goddelijkheid weer terug te krijgen. Daarnaast vertelt Lucas meer over Jezus’ eigen groeiproces. De Willibrord vertaling verwoordt dit erg mooi door het volgende te schrijven: “De jongen groeide op en werd steeds sterker, omdat Hij vervuld werd van wijsheid en door God rijkelijk werd begunstigd.” (Lucas 2:4).

Aan de ene kant was Jezus dus volledig mens, moest Hij net als wij allemaal dingen leren, aan de ander kant was Gods genade op Hem. Jezus had dus wel een voorsprong maar die moeten we ook weer niet gaan overschatten.

Dit laatste wordt ook duidelijk als we Jezus’ woorden in Johannes 14:12-17 ter harte nemen als Hij zegt:
“Waarachtig, Ik verzeker jullie: wie in Mij gelooft, zal de daden die Ik verricht, ook zelf verrichten; ja nog grotere zal Hij verrichten, want zelf ga Ik naar de Vader, maar wat jullie zullen vragen in mijn naam, zal Ik doen, zodat de Vader verheerlijkt wordt in de Zoon. Als jullie Mij iets zullen vragen in mijn naam, dan zal Ik het doen. Als jullie Mij liefhebben, zul je ter harte nemen wat Ik jullie opdraag. En Ik zal de Vader vragen jullie een andere helper te geven, die voor altijd met jullie zal zijn, de Geest van de waarheid.”

Grotere dingen doen dan Jezus?
Dit prachtige gedeelte is tegelijkertijd een ingewikkeld gedeelte. Hoe kunnen wij in vredesnaam nog grotere dingen doen dan Jezus? Waarom noemt Hij dat? Hoe zit het vervolgens met alle onbeantwoorde gebeden? Hoeveel mensen hebben immers gebeden maar niet gekregen waar ze om baden?

Laten we beginnen met waarom Jezus deze uitspraak doet. Jezus wist dat God Hem alles had gegeven (Johannes 13:3) waardoor Hij toen Hij op aarde was al veel bijzondere dingen kon doen, echter Hij beseft ook dat Hij straks naar de Vader gaat en dan weer Zijn volledige kracht gaat krijgen (Johannes 17:4-5). Vanuit dit perspectief doet Hij de uitspraak over grotere werken. Als Hij straks al Zijn kracht heeft is er immers meer mogelijk dan wat Hij tot nu toe op aarde heeft laten zien. Vanuit Jezus’ optiek is dit een logische benadering. Nu hoeven wij niet per sé grotere daden te doen. Door Jezus’ verheerlijking kon de Heilige Geest uitgestort worden en kunnen wij nu als het “nieuwe lichaam van Christus” Zijn werk op aarde voortzetten. Door deze stap is het bereik van Zijn werken drastisch vergroot.

Bidden in Jezus’ naam
Tegelijkertijd geeft deze invalshoek een heenwijzing rondom de andere vragen. Hoe moeten wij bijvoorbeeld het bidden in Jezus naam zien? Is dat een soort toverspreuk waarmee alles wat wij bidden opeens verhoord wordt terwijl als wij het per ongeluk vergeten dat niet gebeurt? De praktijk spreekt dit tegen. De tekst zelf geeft overigens ook geen aanleiding om de zin “Als jullie Mij iets zullen vragen in mijn naam, dan zal Ik het doen.” als een losstaand feit te gaan zien.

Deze zin moet veel meer uitgelegd worden vanuit eerder uitspraken van Jezus. Jezus had vlak voor deze uitspraak namelijk verteld dat Hij de weg naar de Vader is. Combineer je dat met wat Hij zegt in Johannes 5:19 en 20 waar staat: “Waarachtig, Ik verzeker u: de Zoon kan niets uit eigen kracht, Hij kan alleen maar wat Hij de Vader ziet doen: wat deze doet, doet de Zoon eveneens. De Vader houdt immers van de Zoon: Hij laat Hem alles zien wat Hijzelf doet; Hij zal Hem zelfs nog grotere daden laten zien, zodat u versteld zult staan.”
Dan wordt het opeens duidelijker. Jezus biedt dezelfde relatie die Hij met de Vader had aan zijn discipelen aan. Hij biedt dezelfde eenheid die Hij met God had aan. Zijn grote geheim waardoor Hij zoveel op aarde kon doen. Hij biedt het zelfs aan in overtreffende trap. Vanuit de eenheid met God, vanuit het zien wat God gaat doen kunnen wij dingen in Jezus’ naam vragen.

De uitdrukking in Jezus’ naam kan dan vergeleken worden met het zeker weten dat Jezus achter het gebedsverzoek staat. Alsof je na overleg met Jezus een gebedsverzoek hebt opgesteld en tevens met Zijn naam mag ondertekenen. Dit overleg met Jezus is dan wel essentieel. Als je in het normale leven een brief naar iemand stuurt en je zet daar ook de ondertekening onder van bijvoorbeeld Mark Rutte, dan heeft dat impact. Weet Mark Rutte er echter niets van dan zal het bij navraag geen enkel positief effect hebben. Dat we in Jezus’ naam verzoeken mogen indienen heeft naar mijn mening alleen effect als Jezus ons eerst dingen heeft verteld of laten zien. Dit laatste kan doordat Hij spreekt in onze gedachten, ons beelden geeft, maar het kan ook doordat wij ons vanuit de Bijbel geleid weten.

Stel je eens voor dat God blindelings gebeden zou verhoren als iemand aan het eind van zijn gebed alleen maar zei: “In Jezus’ naam”. Stel je eens voor dat de discipelen dit ter plekke hadden gepraktiseerd. Waarschijnlijk zouden ze dan gebeden hebben dat Jezus niet aan het kruis zou hoeven gaan. Wat een ramp zou er zich hebben voltrokken als God een dergelijke gebed had verhoord. Gelukkig blijft in onze gebeden God de bepalende factor. Aan ons is het avontuur om zowel in Gods woord als door onze persoonlijke relatie Zijn wil te ontdekken en zo op een prachtige manier betrokken te raken in Zijn liefdeswerk hier op aarde.

Wat houdt deze verbondenheid met God in?
Het is niet verbazend dat in Johannes 14, net na het bidden in Jezus’ naam, Jezus het heeft over de dingen die Hij gaat opdragen en over de Heilige Geest die hen zal gaan leiden. Ook is het niet verbazend dat Hij in Zijn vervolgonderwijs die avond zowel de persoonlijke leiding van de Heilige Geest gaat betitelen en benadrukken als het belang van Gods Woord. Kijk bijvoorbeeld maar eens naar het volgende:

  • In hoofdstuk 15 gaat Jezus Zijn punt verder uitleggen. Hij schrijft daar in vers 4-5: “Laten we met elkaar verbonden blijven, jullie en Ik, want zoals een rank geen vrucht kan dragen uit eigen kracht, maar alleen als ze verbonden blijft met de wijnstok, zo kunnen ook jullie geen vrucht dragen als je niet met Mij verbonden blijft. Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken. Alleen wie met Mij verbonden blijft – zoals Ik met hem – draagt rijkelijk vrucht, want los van Mij kunnen jullie niets.” – We zien hier dat de verbondenheid de sleutel is tot vruchtdragen en de daden van God doen.

    Deze verbondenheid wordt verder uitgelegd in vers 7: “Als jullie met Mij verbonden blijven en mijn woorden in jullie blijven, vraag dan wat je wilt, en het valt je ten deel.” en vers 10: “Als je mijn opdracht ter harte neemt, zul je in liefde met Mij verbonden blijven, zoals ook Ik de opdracht van mijn Vader ter harte heb genomen en met Hem in liefde verbonden blijf.” Tevens zegt Hij er nog bij in vers 15: “Voor Mij zijn jullie geen dienstknechten meer: een knecht heeft geen begrip van wat zijn meester doet. Vrienden noem Ik jullie, omdat Ik alles wat Ik van de Vader heb vernomen, aan jullie heb meegedeeld.”

  • In hoofdstuk 16 zien we in vers 13-15 eerst een uitleg over de Heilige Geest: “Wanneer de Geest der waarheid komt, zal Hij jullie leidsman naar de volle waarheid zijn – niet dat Hij eigenmachtig zal spreken, Hij zal slechts zeggen wat Hij te horen krijgt – en wat komen gaat, zal Hij jullie meedelen. Hij zal Mij verheerlijken, want wat Hij jullie zal meedelen, komt van Mij. Alles wat de Vader heeft is ook van Mij; daarom mag Ik zeggen dat hetgeen Hij jullie zal meedelen, van Mij komt.” Vervolgens vertelt Hij over het lijden dat hierdoor zal ontstaan omdat de Heilige Geest de discipelen de waarheid laat vertellen (zie ook hoofdstuk 15:26-16:3). Echter door het werk van de Geest van de Waarheid ontstaat er niet alleen lijden er ontstaat ook gebedsverhoring. We lezen dit in vers 23 en 24 waar staat: “Op die dag zul je Mij geen uitleg meer te vragen hebben. Waarachtig, Ik verzeker jullie: wat jullie de Vader ook zullen vragen in mijn naam, Hij zal het jullie geven. Tot nu toe heb je nooit iets gevraagd in mijn naam. Vraag en je zult verkrijgen, en je vreugde zal volkomen zijn.”

     

  • In de eerste brief van Johannes zien wij hetzelfde. Kijk maar naar deze twee teksten:
    • “Geliefden, wanneer ons hart ons niet veroordeelt, mogen wij vrijmoedig met God omgaan; wij krijgen van Hem alles wat wij vragen, omdat we ons houden aan zijn geboden en doen wat Hem welgevallig is.” (1 Johannes 3:21-22).
    • “Ons vertrouwen in God geeft ons de zekerheid dat Hij naar ons luistert, als wij Hem iets vragen overeenkomstig Zijn wil. En als wij weten dat Hij naar al ons vragen luistert, mogen wij er ook zeker van zijn dat we krijgen wat we Hem in onze gebeden hebben gevraagd.” (1 Johannes 5:14-15).

Nu voegt Johannes ook nog iets toe aan de gebedsverhoring, namelijk dat het goed moet zijn tussen God en ons. Ons hart moet ons niet veroordelen. Dit schrijft hij vlak nadat hij het heeft gehad over hoe wij met de noden van de mensen om ons heen omgaan (zie 1 Johannes 3:17-18). Johannes verbindt de verbondenheid van God waardoor gebedsverhoring komt met wat er in Jesaja 58 staat. In Jesaja 58 staat namelijk dat God geen gebeden verhoort van mensen die anderen onderdrukken. Echter als we recht doen, anderen eerlijk behandelen dan zegt ook Jesaja dat God zal verhoren. Zo staat er in Jesaja 58:9 “Dan geeft de HEER antwoord als je roept; als je om hulp schreeuwt, zegt hij: ‘Hier ben ik.’”

Het gebed van een rechtvaardige vermag veel kracht!
Jezus’ grote geheim is hoe gebedsverhoring tot stand komt, namelijk door een leven in geloof en verbondenheid met God. Door de eenheid met God weten we waarvoor we moeten bidden. God verhoort graag Zijn eigen gebeden die Hij ons eerst heeft laten ontdekken. Eenheid met God staat echter nooit los van eenheid met elkaar en het staat ook nooit los van rechtvaardig handelen. Als Jezus zegt dat Hij de ware wijnstok is om zo het vruchtdragen (door onder andere gebedsverhoring) uit te leggen, dan moeten we ons realiseren dat wijnstok die in het Oude Testament vermeld staat vanwege rechtsverkrachting verbrand werd (zie: Jesaja 5:7 in combinatie met Ezechiël 15 en Ezechiël 19:10-14). Kortom het gebed van een rechtvaardige vermag veel kracht (Jakobus 5:16) zeker als dat vanuit verbondenheid plaatsvindt.