1.5. Aan de slag gaan met de doelen

Doelstellingen:

  • Ontdekken hoe jij kan veranderen en anderen kan helpen veranderen en welke plaats het zien en het horen daarbij hebben.

Hoe veranderen jij en anderen?

Stel je wil aan de slag gaan met deze doelen hoe verander je dan zelf en hoe zorg je voor verandering bij anderen? Gelukkig vertelt de Bijbel daar veel over. Eén hele duidelijke tekst is dezen:

“Want het hart van dit volk is vet geworden, en zij hebben met de oren slecht gehoord, en hun ogen hebben zij dichtgedaan, opdat zij niet op enig moment met de ogen zouden zien en met de oren horen en met het hart begrijpen, en zij zich zouden bekeren en Ik hen zou genezen.” (Mattheüs 13:15)


Als we deze tekst gaan bestuderen dan heeft verandering te maken met wat we zien en wat we horen. Laten we om dit goed uit te leggen beginnen met het “zien”.


Om dit goed uit te leggen willen we teruggaan naar waarmee we zijn begonnen: de mens geschapen naar het beeld van God. Geschapen zijn naar Gods beeld drukt namelijk een bijzondere afhankelijkheid uit. Het beeld heeft niet veel kracht in zichzelf maar in afhankelijkheid van het origineel kan zij een krachtig instrument zijn. Een beeld vindt haar kracht in hetgeen zij weerspiegelt.


Het weerspiegelen is overigens ook een vorm van overdracht. Je ziet iets en gaat het nadoen. Dit principe van zien en nadoen zit diep in ons mens-zijn ingebakken: Kleine kinderen leren aan het begin voornamelijk door letterlijk het gedrag en handeling na te doen. Ze echoën zelfs de woorden die ze van hun ouders horen. Voor velen is het grappig om je eigen gedrag terug te zien in je kind. Voor sommige anderen is het confronterend.


Met de komst van Jezus wordt dit principe van weerspiegelen: afhankelijk zijn van het voorbeeld wat je ziet, nog explicieter door Hem onder de aandacht gebracht. Zo beschreef Hij zichzelf als “Licht der wereld” (Johannes 8:12) en daagde Hij tegelijkertijd zijn volgelingen uit om ook zichzelf te zien als het licht van deze wereld (Mattheüs 5:14-16). Hij diende zijn discipelen door hen de voeten te wassen en zei: “Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook u zult doen zoals Ik voor u heb gedaan.” Ook legt Hij uit welke plaats het kijken heeft bij wonderen en tekenen. Hij zegt in Johannes 5:19-20: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: De Zoon kan niets van Zichzelf doen, als Hij dat niet de Vader ziet doen, want al wat Deze doet, dat doet ook de Zoon op dezelfde wijze. Want de Vader heeft de Zoon lief en laat Hem alles zien wat Hij doet, en Hij zal Hem grotere werken laten zien dan deze, opdat u zich verwondert.” Hier wordt goed duidelijk gemaakt hoe afhankelijkheid doorwerkt naar kracht. Tien hoofdstukken verder wordt duidelijk dat wat voor Jezus geldt ook op ons van toepassing is als Hij zegt: “Ik ben de Wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u niets doen.” (Johannes 15:5) en het is naar mijn idee daarom dat Jezus in het zelfde hoofdstuk zegt: “Ik noem u niet meer dienaren, want een dienaar weet niet wat zijn heer doet, maar Ik heb u vrienden genoemd, omdat Ik u alles wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, bekendgemaakt heb.” De bijzondere werken komen bij Jezus voor uit het voorbeeld volgen wat God de Vader geeft en net zoals God de Vader dit aan Jezus leerde wil Hij dat ook de discipelen leren.


Bestuderen we Jezus’ handelen dan valt op hoeveel tijd Hij nam om de 12 discipelen op sleeptouw te nemen. Jezus’ trainingsmodel was eenvoudig het bestond uit voordoen (Lucas 8:1-2) en vervolgens uitdagen om het zelfde te doen. Eerst door het uitzenden van de 12 discipelen (Lucas 9:1-2) en daarna het uitzenden van 70 anderen (Lucas 10-1-2). Steeds werden deze twee aan twee uitgezonden. Door hen twee aan twee uit te zenden konden ze elkaar namelijk in leerervaring ondersteunen, tevens creëert dit meer veiligheid op de diverse gebieden wat tevens weer het leren bevordert.


Zien en nadoen speelt dus een belangrijke rol in de manier waarop Jezus zelf van Zijn Vader leerde en hoe Hij ook aan anderen leerde. Zelfs in de grote opdracht in Mattheüs 28:18-20 komt het naar voren. De woorden van Jezus in Mattheüs 28:19 waar Hij aan de discipelen en daarmee ook de kerk de opdracht geeft om van alle volken dispelen te maken wordt gevolgd met: “….hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen.” Dit vervolg zou ook vertaald kunnen worden met: “hun lerend te observeren alles wat ik jullie opgedragen heb.” zoals ook diverse Engelse vertalingen dit vertalen. Dit kleine verschil in vertaling geeft echter voor de toepassing een groot verschil. Als wij het op deze manier vertalen zegt het veel meer over hoe dit leren plaatsvindt en hoe het “maken” van discipelen plaatsvindt, namelijk door het observeren. Van de volken discipelen oftewel navolgers maken, gebeurt dan niet alleen door prediking van woorden of door onderwijs vanuit de Bijbel maar ook door het evangelie voor te leven, door het zijn van een voorbeeld.
Niet geheel verbazend wordt er in het Nieuwe Testament aandacht besteed aan het zien als de basis voor het veranderen van gedrag. Zo vertelt Jezus in Matthëus 6:22-23 dat het oog de lamp is van het lichaam en zegt daarbij: “als dan uw oog oprecht is, zal heel uw lichaam verlicht zijn; maar als uw oog kwaadaardig is, zal heel uw lichaam duister zijn.”. Overduidelijk geeft deze tekst aan dat hoe we kijken belangrijk is voor ons handelen.


Volgens Romeinen 8:29 zijn wij bestemd om te veranderen naar beeld van Gods Zoon, de Eerstgeborene. Dit proces van omvorming gebeurt door dat we meer van Jezus zien (2 Korinthe 3:16-17). Dus houdt in je leven steeds je oog Jezus (Hebr. 12:2).


Naast het zien is ook het horen belangrijk. Door het horen van de waarheid worden we immers vrij (Johannes 8:32). In de bijgaande video’s vertelt Simeon daar meer over.


Bekijk hier de videos