“Zoek de HEERE terwijl Hij te vinden is, roep Hem aan terwijl Hij nabij is.” Jesaja 55:6

Ben jij werkelijk op zoek naar God? Dat is de vraag die ik je wil stellen. De reden waarom ik deze vraag wil stellen is omdat we van nature helemaal niet geneigd zijn om God te zoeken (Romeinen 3:11). De Bijbel leert dat niemand uit zichzelf God zoekt [1] en de huidige seculiere cultuur stimuleert ons daar ook niet toe. We groeien eerder op in een cultuur die ons blind maakt voor God.[2] We moeten dan ook uitkijken dat ons hart niet ver verwijderd raakt van God.[3]

Wat dat betreft lijken we allemaal op Adam en Eva die nadat ze gezondigd hadden op de vlucht gingen. Ze wilde niet langer uit zich zelf in Gods aanwezigheid zijn. God moest hen op gaan zoeken. God moest roepen: “Adam waar ben?” En nog altijd roept God ons. God is naar ons op zoek, Hij verlangt er naar om in onze aanwezigheid te zijn. Dit besef dat God naar ons verlangt is essentieel voor een rijk gebedsleven.  Als wij namelijk een verlangen in onszelf opmerken naar God toe dan is dat niet ons eigen verlangen, maar dan is dat een verlangen gegeven door God die dat in ons werkt door de Heilige Geest. Als we een dergelijk verlangen opmerken dan is het belangrijk om daar op te reageren.[4]

Het vreemde is alleen dat als we op dit verlangen gaan reageren we lang niet altijd gelijk een geweldige ervaring met God hebben. Soms zelfs het tegenovergestelde. Vaak is daar die muur, is daar een gevoel van Gods afwezigheid. Een persoon die dit principe heel goed kende was David.
Hij schrijft heel gedetailleerd zijn  eigen proces op. Een psalm waarin hij zijn bevindingen beschrijft is Psalm 27. In vers 4 van deze Psalm begint David met het uitspreken van zijn verlangens om bij God te zijn. We lezen daar:  “Eén ding heb ik van de HEERE verlangd, dát zal ik zoeken:  dat ik wonen mag in het huis van de HEERE, al de dagen van mijn leven,  om de liefelijkheid van de HEERE te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel.”

David mag als koning de tempel niet in, dat mogen alleen de priesters.  Toch verlangt David, omdat Hij de aanwezigheid van God kent,  er naar om daar te zijn waar God is.  En God beantwoordt dat verlangen. In vers 8 lezen we namelijk:  “Mijn hart zegt tegen U wat U Zelf zegt:  Zoek Mijn aangezicht.”  God spreekt dus in Davids hart. David weet dit te onderscheiden en als we verder lezen dan zien we dat Hij ook op zoek gaat.  We lezen namelijk: “Ik zoek Uw aangezicht, HEERE,  verberg Uw aangezicht niet voor mij. Verstoot Uw knecht niet in toorn,  U bent mijn hulp geweest;  verwerp mij niet en verlaat mij niet,  o God van mijn heil.” Opmerkelijk aan deze zoektocht is dat ondanks dat God David had uitgedaagd, hij nu toch overspoeld wordt met gevoelens van afwijzing. Ondanks dus dat David het wederzijdse verlangen van God weet te benoemen, roept hij het uit en smeekt hij God om hem niet te verlaten. 
Ga je inzoomen op wat David concreet zegt, dan zie je dat de afwijzing in overtreffende trap beschreven staat:

  • “Verberg Uw aangezicht niet voor mij.”
  • “Wijs Uw dienaar niet af in toorn, U bent mijn hulp geweest.”
  • “Laat mij niet in de steek en verlaat mij niet, o God van mijn heil.”

Toch blijft het niet bij deze afwijzing. David komt uiteindelijk tot een hele concrete conclusie. Hij schrijft: “Want mijn vader en moeder hebben mij verlaten, maar de HEERE zal mij aannemen.”
David heeft door, dat als hij ingaat op Gods uitnodiging, hij geconfronteerd wordt met zijn verleden. Zijn relatie met zijn ouders hebben zijn Godsbeeld gekleurd. En terwijl hij dit door krijgt zet hij het foutieve Godsbeeld aan de kant en maakt de conclusie dat God anders is.
Persoonlijk geloof ik dat het geen toeval is dat David juist op dit moment geconfronteerd werd met zijn pijn uit het verleden en dat deze confrontatie steeds sterker werd. Ik geloof dat, het werk van onze vijand, de duivel is. Het bezig gaan met Gods tegenwoordigheid is zowel het betreden van een geestelijke wereld met geestelijke strijd als het tegenkomen van jezelf, geconfronteerd worden met je eigen verleden en je eigen identiteit.[5]

[1] According to Genesis 3, God met Adam and Eve each afternoon for a walk. But then they sinned and hid themselves in the bushes. Ever since, human beings have moved farther and farther away from God. This avoidance of God is our spiritual disease. We are all in the bushes because God makes us uncomfortable. This allergic reaction to God is not limited to the ungodly. The history of Israel is a record of repeated running away from God. Even King David, a man after God’s own heart, wrote in one of his psalms, “Where can I flee from your presence?” (Ps 139:7). Eyre, S.D., 1995. Drawing close to God: the essentials of a dynamic quiet time: a lifeguide resource, Downers Grove, IL: InterVarsity Press.

[2] Most Western Christians have been influenced by secular culture. Like everyone else, we go through the day with little occasion to call on God. Unless we take conscious precautions, we too can develop God-blindness. A colorblind person can’t see red or green because the rods and cones in the eye are damaged. Many colorblind people are unaware of their condition until they reach their teens. They use the words red and green without having any experience of the actual colors. God-blindness works the same way. The rods and cones of our spiritual eyes are damaged. We have the word God in our vocabulary, but the experience of God is missing. And like colorblind people, we go about our lives without realizing that something is wrong. When we practice quiet time, we counter the forces of God-blindness. Quiet time focuses our spiritual sight so that we can meet with God. Eyre, S.D., 1995. Drawing close to God: the essentials of a dynamic quiet time: a lifeguide resource, Downers Grove, IL: InterVarsity Press.

[3] Attending church and all sorts of religious activities can have the appearance of seeking God when in fact it is another means of avoidance. Rousing worship services full of inspiring music and moving prayers are not enough to overcome this. Nor is being doctrinally correct a guarantee that we are OK. In fact, all of these can be dangerous, because they allow us to cherish the illusion that we are spiritually growing when in fact we are in spiritual darkness. Isaiah wrote about outward forms of religious practice, “These people … honor me with their lips, but their hearts are far from me” (Is 29:13).One of the seven deadly sins that Christians in the Middle Ages feared was sloth. Thomas Aquinas defined sloth as “sorrow about spiritual good.” It is a joylessness about God, who is the source of all joy. It is despairing passiveness that gives up on seeking God. It is a cold sin that has passed beyond disobedience and rebellion. Sloth is what happens to us when we avoid God and then pretend that we are still religious.Eyre, S.D., 1995. Drawing close to God: the essentials of a dynamic quiet time: a lifeguide resource, Downers Grove, IL: InterVarsity Press.

[4] Welcome God-given desires. From one viewpoint, real desire is a gift of God. From another viewpoint, you must deepen your own desire with the help of God. Finney teaches that if you find a desire for the good of other people strongly impressed upon you, there is a strong possibility that the Holy Spirit is giving and deepening this desire so as to stir you up to pray. He adds, “In such a case, no degree of desire or importunity in prayer is improper. A Christian may come as it were and take hold of the hand of God.” Listen to Jacob pray, “I will not let you go unless you bless me” (Gen. 32:26). Did this attitude insult God? No! It made Jacob a prince with God, with a new name—Israel. Moses prayed with such a desire that God came face-to-face with him (Exod. 33:12–23; Num. 12:8).  Do not quench or lose these holy desires. They are a fire of the Holy Spirit. Do not put them out (1 Thess. 5:19). Do not let other things divert you or distract you. Let the Holy Spirit deepen your prayer more and more as you cherish these holy longings and hunger for them ever more deeply. Duewel, W.L., 2013. Mighty prevailing prayer: experiencing the power of answered prayer, Grand Rapids, MI: Zondervan.

[5] Als we binnengaan in de Tegen­woordigheid ontdekken we dat daar inderdaad de kracht is om onze identiteit los te maken van die van onze ouders en ook van anderen. Daar is de kracht om gebogenheid naar het schepsel te zien en te erkennen: om onze emotionele afhankelijkheid en co-dependentieslos te laten. Daar is de kracht om het innerlijke cluster van houdingen achter ons dwangmatig neurotisch gedrag te objectiveren. Payne, L., Gods tegenwoordigheid geneest.” Pag. 56-57.